Op het vliegveld zou iemand moeten staan met een kaartje met mijn naam erop, die zorgt voor mijn mobiele bereikbaarheid deze maand en ook voor mijn transport naar Bakırköy. Als ik met 5000 andere zwetende passagiers de douane ben gepasseerd, mijn 30 kilo bagage heb opgehaald en naar buiten kom, staan daar 40.000 soort van taxichauffeurs met bordjes in hun handen met namen uit alle landen, te schreeuwen dat ze mij wel naar mijn hotel willen brengen. “Which hotel? Which hotel?” Als ik dan zeg dat ik geen hotel heb, met mijn bleke krullenkop dus duidelijk toerist, ontstaat een verwarde blik waarna ik niet meer de moeite waard ben en de zoektocht gaat verder. Na vijf minuten vind ik mijn man, hij zegt niets tegen me, wenkt alleen maar “geef me je telefoon”, wat ik dan ook maar doe. Als rechtgeaarde wantrouwende Hollander moet je je hier wel een beetje aanpassen. En dat begint dus meteen op het vliegveld. Inderdaad heb ik nog geen twee minuten later mobiele wifi en zit ik in een Istanbulse kamikazetaxi en voel ik me zo vrij, zo vrij, razend door dat verkeer tussen die lelijke flatgebouwen, dat de tranen me gutsend over de wangen stromen. “Bakırköye gidiyor muyuz?” vraag ik aan de 14-jarige taxichauffeur, gaan we naar Bakırköy? Ja, daar zijn we inderdaad 10 minuten later en net op tijd voor de denizautobüsü (zeebus) van 17:45 naar Kadıköy, niet 18:00 zoals op werkelijk alle websites staat, want ik heb me voorbereid, maar 17:45. Die had ik dus anders mooi gemist en zo zie je maar dat je je te pletter kan voorbereiden, maar dat heeft hier allemaal helemaal geen nut.

Het is maar tien minuten lopen naar het apartement van Emine, ja, tien minuten maar wel berg òp met 30 kilo die aan je arm hangt en dan kan je wel een sleurtas hebben maar dat maakt dus helemaal geen reet uit. Als ik er aankom is Emine gelukkig thuis, en hoef ik alleen nog maar die 8 trappen op naar de top floor. Sinds de vlucht heb ik al niets meer gegeten of gedronken, mijn hoofd barst zowat uit elkaar, maar daar staat Emine elegant en dun en voorkomend en gastvrij in de deuropening. Ik voel me als een slagroomtaart in de zomer die te lang buiten de koelkast heeft gestaan maar ik moet nog even socializen met Emine, die me de ins en outs van het apartement vertelt en ook op haar vriend wacht (die trouwens trainer is bij een zeker niet nader te noemen lokale voetbalclub aan de overkant waar een van onze landsmannen ook speelt). En passant word ik uitgenodigd voor een zeiltocht naar ‘the islands’ want de vriend zeilt en heeft een boot. Niet gelijk alles aannemen Jen, they’re just being polite.
Emine neemt me mee naar de woonkamer en laat me het uitzicht zien, en voor me openbaart zich het meest dromerige uitzicht dat ik ooit heb gezien, beter dan ik durfde te hopen toen ik hier naar toe kwam, helemaal op maat voor mij. Tussen de flatgebouwen, over het straateinde heen, heb ik vierkant uitzicht op de Bosporus en aan de overkant Fatih, als een sieraad langs de hals van de horizon, met als edelstenen de Aya Sofia en de Blauwe Moskee.
Emine vertrekt en ik zet mijn koffer in een kamer, trek hem open en in minder 20 seconden ziet de kamer eruit alsof ik er al twee jaar woon, en Jan weet wat dat betekent. Want die broek die ik aan moet zit natuurlijk ònderin, net als mijn toiletspullen ònderin zitten, alsmede mijn schone ondergoed ook ònderin zit, waarna mijn makeup en bloes en ballerinas vervolgens ònderin zitten. Ik neem een douche en kleed me aan. Ik verdwaal steeds in dit huis. Het ruikt hier naar parfum en wasmiddel. Ik zie alle schoenen bij de deur staan en realiseer me dat ik mijn schoenen uit had moeten trekken bij binnenkomst. Als je je zoiets realiseert, voelt je je bestwel een boerin.
Gedoucht en alles ga ik naar buiten op zoek naar de Migros die hier om de hoek moet zitten. Het is iets van 19:00 uur en het is ster-vens druk op straat. Ik moet even wennen omdat werkelijk iedereen me aankijkt. Ik ben onmiskenbaar buiten het toeristenseizoen de enige kaaskop. Het maakt dat ik me niet op mijn plaats voel. Een beetje eenzaam. De Kadıköy-er voelt aan als de Parijzenaar of de New Yorker. De vrouwen moeten je al helemaal niet en de mannen kijken zo lang naar je als hun vrouw dat toelaat. Die vrouwen zijn in mijn ogen ook allemaal dun, donker en mooi en iets teveel opgemaakt. Ik voel me nu al een walvis. Gelukkig heeft de Migros wijn, nectarines, koffie en ontbijt en via Pizza Moda haast ik me snel naar mijn plekje bij het raam. Ik voel me gelukkig, en vrij, en bevoorrecht, maar moet ook nog een beetje wennen…


